Gedichten

Jaap heeft zich in 2015 toegelegd op eigen werk. Hieronder vindt u een reeks gedichten uit ‘Koude Bergen’ van Han Shang (T’ang dynastie (618 – 907 n. Chr) uit het Engels vertaald door Burton Watson met een Nederlandse vertaling en inleiding van Jaap Voigt.

interior_han-shan_frontis (1)

Twee gedichten die waarschijnlijk afkomstig zijn van zijn vriend en metgezel Shih-te.
Zo! Han-shan heeft deze woorden opgeschreven,

Deze woorden die door niemand worden geloofd.
Honing is zoet, mensen houden van de smaak,
Medicijn is bitter en moeilijk te slikken.
Wat de gevoelens verzacht brengt tevredenheid,
Wat tegenover de wil staat roept woede op.
Wel, ik vraag je om naar de houten poppetjes te kijken,
Versleten door de momenten van hun spel op het toneel.

 

 

Heb je de gedichten van Han-shan in huis?Han-Shan-Zen-Master-Hermit 1
Zij zijn beter te lezen dan sutra’s!
Schrijf ze uit en plak ze op een bord
Zodat je er af en toe een blik op kunt werpen.

 

Inleiding

De tijd waarin Han-shan leefde

De gedichten van Han-shan zijn ten tijde van de T’ang dynastie (618 – 907 n. Chr.) tot stand gekomen. Deze periode wordt gezien als één van de hoogtepunten van de Chinese beschaving. Onder de heilzame leiding van verschillende Keizers kwam een ongekende voorspoed onder alle lagen van de bevolking tot stand.

Gedurende de Tang-dynastie was Chang’an, tegenwoordig een voorstad van Xi’an, de hoofdstad van China. Dit was destijds de grootste stad in de wereld, met meer dan een miljoen inwoners. Het Tang-rijk bestond op zijn hoogtepunt uit de huidige Volksrepubliek China, zonder Taiwan en Yunnan maar met Mongolië, Zuid Kazachstan, Oezbekistan, Tadzjikistan, Turkmenistan, Kirgizië, Noord-Afghanistan, Noord-Pakistan, Bhutan, schiereiland Korea, Zuid-Oost-Siberië en Noord-Vietnam. De Chinese invloedssfeer reikte tot aan de Kaspische Zee.

Bevorderd door contact met India en het Midden-Oosten werd de periode gekenmerkt door een culturele opbloei waarin de Chinese literatuur en kunst hoogtij vierden. Door de overheid werd een systeem van concurrentie opgezet om de beste talenten aan te trekken.

De techniek van papier maken en de blokdruk zorgden ervoor dat het geschreven woord ter beschikking kwam van een groot publiek.

De opstand van An Lushan (755-763) aan het einde van de lange en aanvankelijk succesvolle regering van Xuanzong markeerde het begin van de neergang van de Tang-dynastie. Weliswaar werd de opstand neergeslagen, maar de dynastie was verzwakt. In de maatschappelijke chaos gedurende de jaren van opstand en de nasleep daarvan traden de grote dichters van de T’ang dynastie naar voren: Li Po, Tu Fu en Han-shan.

Han-shan

Terwijl zijn gedichten door de gehele historie alom bekend zijn gebleven is het leven van Han-shan gehuld in een mysterie. (“Han-shan” betekent “Koude Berg”) Er zijn twee tradities als het gaat om het achterhalen van wie Han-shan was: Lees meer

Eigen verleden

 

Mijn vader en moeder lieten mij goed verzorgd achter;
Ik hoef niet afgunstig te zijn op wat andere mensen doen.
Klikker de-klik, mijn vrouw zit aan haar weefgetouw,
Brabbel-de-brabbel, mijn zoon is aan het spelen.
Ik klap in mijn handen om dwarrelende bloembladen
een zetje te geven,
Met m’n kin op de hand luister ik naar zingende vogels.
Wie komt er om mee te doen met mijn manier van leven?
Wel, de houthakker komt soms langs.

 

Een rieten hut is het huis van een boer,
Paarden en rijtuigen komen zelden langs mijn hek.
Bossen zo stil, alle vogels strijken er neer,
Brede stromen in het dal, vol vis.
Ik pluk wilde vruchten met mijn kind aan de hand,
Bewerk de berghelling met mijn vrouw.
En wat heb ik thuis?
Alleen een bed hoog opgestapeld met boeken.

 

In de derde maand, als de zijderups nog klein is,
Komen meisjes bloemen plukken.
Zittend op een muurtje spelen ze met vlinders,
Beneden bij de rivier gooien ze steentjes naar een kikker.
Zij vullen hun mouwen van gaas met pruimen,
Met gouden haarpinnen graven ze bamboe-spruiten uit.
Je kan van alles zeggen over het wezen van schoonheid,
Maar deze plek is mooier dan waar ik woon.

 

Boven de bloesem zingen wielewalen:
Kuan – kuan, hun zuivere noten.
Het meisje met een gezicht als porselein
Tokkelt tegen ze op haar luit.
Ze raakt nooit moe van het spelen –
De jeugd is de tijd van tere invallen.
Als de bloemen verstrooien en de vogels weg vliegen
Zal zij tranen vergieten in de lentewind.

 

Ik roep mijn vrienden, die lotusbloemen rapen,
Wonderschoon drijvend in de heldere rivier.
En ik vergeet in mijn verrukking hoe laat het is geworden,
Tot een vlaag avondwind langs dwarrelt.
Golven drijven de mandarijn eenden bij elkaar,
Rimpelingen wiegelen de brede staarten
van de wilde eenden heen en weer.
Op dit moment, zittend in mijn bootje,
Komt een eindeloze stroom invallen in mij op.

 

“Han-tan* is mijn thuis”, zei ze,
“en de vrolijke wijsjes van die plek klinken door in mijn gezang.”
Ik leef hier nu zo lang
Dat ik alle overgeleverde liedjes ken.
Ben je dronken? Zeg niet dat je al naar huis wilt!
Blijf! De zon is nog niet op zijn hoogtepunt.
In mijn slaapkamer ligt een geborduurde deken,
Zo groot, dat het mijn hele zilveren bed bedekt.

* De hoofdstad van de oude staat Chao, bekend om zijn mooie vrouwen en zijn liederen en dans.

Over het Leven

Heb je de bloesem gezien tussen de bladeren?
Zeg me, hoe lang blijven ze?
Vandaag beven ze voor de hand die ze plukt,
Morgen staat iemands tuinhark hen te wachten.
Prachtig is het levendige hart van de jeugd,
Maar met de jaren wordt het oud.
Is de wereld net als deze bloemen?
Die verrekte zichtbare vormen, hoe kunnen ze blijven bestaan?

 

Het leven van de mens duurt minder dan zo’n honderd jaar,
Maar hij is opgezadeld met zo’n duizend jaar ellende.
Nauwelijks heb je je eigen ziekte genezen,
Of je zoons en kleinzoons belasten je met hun zorgen.
Buig voorover en zie hoe het graan groeit,
Kijk omhoog en bekijk je moerbei-boom.
Als de gewichten van de weegschaal op de bodem
van de zee zijn gestort,
Alleen dan zul je een paar momenten rust vinden.

 

De perzik bloesems zouden graag de hele zomer blijven,
Maar winden en manen haasten hen voort en zij wachten niet.
Hoewel je op zoek bent naar de mannen van de Han dynastie
Zul je niemand levend aantreffen.
Ochtend na ochtend verwelken bloemen en vallen af,
Jaar na jaar verdwijnen mensen.
Hier, waar het stof vandaag opwaait,
Was in vroeger tijden een uitgestrekte zee.

 

Als je stil zit en nooit spreekt,
Welke verhalen zul je dan achter laten voor jonge mensen
om door te vertellen?
Als je jezelf opsluit in het struikgewas van het bos,
Hoe kan de zon van wijsheid dan naar buiten schijnen?
Geen uitgedroogd karkas kan de hoeder van de Weg zijn,
Wind en vorst brengen ziekte en een vroege dood.
Ploeg met een os van klei in een veld van steen
En je zult de dag van de oogst nooit meemaken!

 

Gisteren zag ik de bomen aan de rand van de rivier,
Vernield en gebroken, ongelooflijk!
Alleen twee of drie stammen waren blijven staan,
Gewond door zagen en duizend bijlen.
Vorst stroopt de gele bladeren af,
Riviergolven plukken aan de verweerde wortels.
Dit is de wijze waarop het leven moet vergaan,
Waarom Hemel en Aarde vervloeken?

 

Wees gelukkig als er iets is om gelukkig over te zijn!
Als het moment komt, laat het niet voorbij gaan!
Ook al zeggen ze dat het leven honderd jaar duurt,
wie heeft er ooit de volle dertig duizend dagen gezien?
Je bent niet langer dan een ogenblik in de wereld,
Dus zit daar niet te mopperen over geld.
Het eind van de Klassieker over “Hoe het hoort”*
Vertelt je alles over hoe begrafenissen eruit zien.

* Een korte verhandeling over gedragsvormen en “hoe het hoort” die in deze perioden populair was onder gewone mensen.

 

Zou jij een gelijkenis weten voor leven en dood?
Vergelijk ze dan met water en ijs.
Water wordt hard om ijs te worden,
IJs smelt en keert terug tot water.
Wat dood is gegaan moet weer leven,
Wat geboren wordt zal terugkeren tot de dood.
Water en ijs berokkenen elkaar geen schade,
Leven en dood zijn allebei goed.

 

In den beginne scheidde Hij Hemel en Aarde
En plaatste in het midden de Mens om te leven.
Hij braakte mist uit om ons te verbijsteren,
En stuurde wind om ons wakker te maken.
Als Hij vriendelijk is, geeft Hij ons welvaart en eer,
En wanneer Hij kwaadaardig is, zijn het moeilijkheden.
Luister, makkers, mensen rond stampen die daar beneden:
Alles hangt af van de Mijnheer Hemel.*

*“Mijnheer Hemel”: omgangstaal voor God.

 

Over eten praten zal je niet vol maken,
Babbelen over kleren zal de kou niet buiten sluiten.
Een kom rijst is wat de maag vult,
Kleren zijn nodig om je warm te maken.
En toch, zonder te stoppen hierop te letten,
Klaag je dat de Boeddha moeilijk te vinden is.
Keer je geest naar binnen! Daar is hij!
Waarom ver van huis naar hem zoeken?

 

Levend in de bergen, geest in rust,
Treuren over de voorbijgaande jaren is alles wat ik doe.
Met grote moeite heb ik de kruiden voor
een lang leven verzameld,
Maar heeft al mijn streven mij een onsterfelijke gemaakt?
Breed is mijn tuin en nu gehuld in wolken,
Maar de bossen zijn schitterend en de maan is vol.
Wat doe ik hier? Waarom ga ik niet naar huis?
Ik word vast gehouden door de betovering
van de kaneelbomen.*

* de Chinese kaneelbomen van de Berg T’ien t’ai worden vaak genoemd in de vroege literatuur. Zij waren heel hoog, het hele jaar groen en werden vereerd als symbolen van Onsterfelijk leven.

 

De mens, levend in de stof,
Is als een mug gevangen in een glas.
De hele dag tolt hij rond en rond,
Maar ontsnapt nooit uit het glas dat hem omhult.
De Onsterfelijken zijn buiten bereik,
Zijn heftige verlangens kennen geen einde,
Terwijl maanden en jaren voorbij stromen als een rivier
Totdat hij in een oogwenk oud geworden is.

 

De grote wijzen uit vroeger tijden
Hebben ons onsterfelijk leven niet laten zien.
Wat geboren wordt moet dood gaan,
Alles zal veranderen tot stof en as.
Beenderen stapelen zich op als de Berg Viputa,*
Tranen van afscheid zouden een zee kunnen vormen,
En alles wat er over blijft zijn lege namen:
Wie ontsnapt aan het rad van geboorte en dood?

* Een berg in India.

 

Ik heb vaak gehoord hoe de Keizer Wu van Han
En de Eerste Keizer van Ch’in voor die tijd
Behagen schepten in verhalen over onsterfelijken en geesten,
En tevergeefs probeerden hun leven te verlengen.
Nu zijn de gouden torens gebroken,
Hun paleizen verdwenen,
Terwijl het graf op Mou-ling en de tombe van de Berg Li*
Vandaag een wildernis van onkruid zijn

* Waar Keizer Wu (140 -87 v. Chr) en de Eerste Keizer (221 – 210 v.Chr) respectievelijk begraven zijn.

 

De kraanvogel met een bittere perzik in zijn bek,
Rust maar eens in de duizend mijl.
Hij wilde naar de Berg van Péng-lai* gaan,
En de vrucht was er voor om hem onderweg
tot voedsel te dienen.
Nog ver weg van zijn doel vielen zijn veren uit,
Gescheiden van zijn zwerm werd zijn hart verdrietig.
En toen hij zich naar huis haastte, naar zijn nest,
Bemerkte hij dat zijn vrouw hem niet langer kende.

* Een legendarisch bergachtig eiland in de Oostelijke zee waar Onsterfelijke geesten leven. De perzik is het voedsel van Onsterfelijken.

 

Al je dagen zijn als een dronken bedwelming
Maar de volgende jaren staan geen moment stil.
Als je begraven bent onder de met onkruid begroeide zoden,
Hoe zwart zal de maan daar beneden schijnen!
Als beenderen en vlees ontworteld en verstrooid zijn
En de geest aan het vervagen is,*
Hoe kan je nog, ook al had je kaken die door ijzer
heen konden bijten,
Je Taoïstische geschriften van de juiste toon voorzien?

* Volgens de Chinese geloofsovertuiging gaan de geesten niet samen met het lichaam dood, maar vervagen geleidelijk in het Niets.

 

Lichaam gekleed in een mantel van geen-doek,
Voeten bekleed met schildpadhuid laarzen,
Span ik mijn boog van konijnenhoorn
En ben ik klaar om duivelse Onwetendheid
neer te schieten.

 

Hier is een boom ouder dan het bos zelf,
De jaren van zijn leven tarten iedere berekening.
Zijn wortels hebben de ontreddering van
heuvels en dalen gezien,
Zijn bladeren hebben de veranderingen
van wind en vorst gekend.
De wereld lacht om zijn buitenkant van slechte kwaliteit
En geeft niets om de verfijnde aard van het hout binnen.
Afgestroopt, vrij van vlees en vel,
Is alles wat er overblijft de kern van de waarheid.*

* Toen een monnik de Zen Meester Ma-tsu vroeg hoe de verlichting er uit zag die hij bereikt had, antwoordde deze:
“Afstropen van al het vlees en vel, ik heb alleen een enkele waarheid.”

 

Vandaag zat ik voor het klif,
Zat een lange tijd, totdat de mistflarden opgetrokken waren.
Een enkele draad, de heldere stroom wordt koud,
De groene pieken tillen zo’n duizend meter hun hoofd op.
Witte wolken – het morgen licht is stil;
Opkomst van de maan – de lamp van de nacht
drijft naar boven.
Lichaam vrij van stof en smet,
Welke zorgen kunnen de geest vertroebelen?

 

Ik ben mijn hele leven lui geweest,
Ik haat alles wat plechtig is, vind lichte
aangelegenheden prettiger.
Andere kunnen leren hoe ze winst maken,
Ik heb mijn eenvoudige rol met geschriften.*
Ik doe geen moeite om het om een rolstokje te draaien
of het in een kistje te stoppen,
Of het lastig te vinden het her en der mee te nemen.
Als een dokter die medicijnen voor iedere ziekte voorschrijft
Gebruik ik elke remedie die voor handen is
om de wereld te redden.
Alleen als de geest vrij van zorgen is
Kan het licht van besef in iedere hoek schijnen.

* Een metafoor voor de “ene enkele waarheid” uit het vorige gedicht.

 

Ik heb maar één mantel;*
Vraag je welke kleur hij heeft?
Niet karmozijn rood en ook niet paars.
Zomers draag ik het als een jas,
‘s Winters dient het als deken.

* Weer een metafoor voor “de ene enkele waarheid.”

 

De Weg

Hier kwijnen we weg, een stelletje arme toegewijde leerlingen,
Gehavend door extreme honger en kou.
Zonder werk, onze enige vreugde is de dichtkunst;
Krabbel, krabbel, peigeren wij onze hersens af.
Wie zal ooit het werk van zulke mensen lezen?
Op dat punt kun je je merkwaardigheden beter
voor jezelf houden.
We zouden onze gedichten op biscuitjes kunnen kerven
En de zwerfhonden zouden zich niet verlagen
door er aan te knabbelen.

 

Ik nam altijd mijn boeken mee als ik
op de akker ging schoffelen,*
In mijn jeugd, toen ik bij mijn oudere broer woonde.
Toen begonnen de mensen over mij te praten,
Zelfs mijn vrouw keerde zich tegen mij.
Nu heb ik de banden met de wereld
van rood zand** verbroken,
Ik breng mijn tijd zwervend door en lees alle boeken die ik wil.
Wie zal de helpende hand bieden met een schepje water
om een vis in een wagenspoor te redden?***

* Uit het verhaal van een verarmde leerling van de Vroege Han dynastie die zoveel van leren hield dat hij kopieën van de Confuciaanse klassieken meenam als hij op de akkers ging werken.

** Rood zand wordt in de Chinese Innerlijke Alchemie geassocieerd met de chaotische energie van vuur, de vervormingen van de menselijke aard.

*** Een toespeling op de baars die achtergebleven was in een wagenspoor, die de filosoof Chuang Tzu om een beetje water vroeg om te overleven (Chuang Tsu, 26).

Ik ging ver weg, naar de T’ien t’ai top,
Alleen en hoog boven de opeen gepakte pieken.
Pijnbomen en bamboes zingen in de wind
die hen doet zwaaien,
Zee-getijden spoelen onder de schijnende maan.
Ik staar naar de groene randen van de bergen beneden
En bespreek de filosofie met de witte wolken.

In de wildernis zijn de bergen en zeeën in orde,
Maar ik wenste dat ik een metgezel had
op mijn zoektocht naar de Weg.

 

Toevallig ging ik, zomaar, bij een hoge priester op bezoek,
Tussen de in mist gehulde bergen, piek op piek gestapeld.
Toen hij mij de weg naar huis wees,
Hing daar de maan als enkele ronde lamp.

 

Mijn geest is als de maan in de herfst,
Mooi zingend en helder in de groene vijver.
Nee, dat is geen goede vergelijking.
Vertel me, hoe moet ik het zeggen?

 

Tussen duizend wolken en de duizend stromen
leeft hier een nutteloze man.
Overdag zwervend in de groene bergen,
‘s Avonds thuis komend om tegen de klif aan te slapen.
Snel verstrijken de lentes en herfsten,
Maar de geest is in vrede, vrij van de stof van zelfbedrog.
Hoe prettig te weten dat ik niets nodig heb om op te leunen,
Om stil te zijn als water in een rivier in de herfst.

 

Hoog, hoog vanaf de top van de piek:
Waar ik ook kijk, geen einde in zicht.
Niemand weet dat ik hier alleen zit;
Een op zichzelf staande maan schijnt in de koude bron.
Hier, in de bron – dit is niet de maan.
De maan is waar zij altijd is – in de hemel boven.
En hoewel ik dit ene kleine liedje zing,
Is in het liedje geen Zen.

 

Wijze mannen, jullie hebben mij aan de kant gezet,
Dwazen, ik doe het zelfde met jullie.
Ik wil noch wijs, noch dwaas zijn;
Laten we van nu af aan niets meer van elkaar horen.
Als de nacht valt zing ik de heldere maan toe,
Bij dageraad dans ik met de witte wolken.
Hoe kan ik mijn stem en handen stil houden
En stijf als een stok zitten met mijn grijze haar in de war.

 

Mensen van tegenwoordig zoeken naar een weg
door de wolken,
Maar de wolkenweg is duister en zonder teken.
De bergen zijn hoog en vaak stijl en rotsachtig;
In de breedste dalen schijnt de zon zelden.
Groene toppen voor en achter je,
Witte wolken naar het westen en oosten.
Wil je weten waar de wolkenweg ligt?
Hier is het, in het midden van Niets!

 

Mens-zijn

 

Ach! Armoede en ziekte,
En ik zonder vrienden en kennissen.
Er blijft nooit een korrel rijst over in de pot,
Stof verzamelt zich op de ketel.
Een strodak dat de regen niet buiten houdt,
Een kapot bed waar ik mezelf bijna niet in kan wurmen.
Geen wonder dat ik zo mager ben –
Zo veel zorgen zouden ieder mens afmatten.

 

Deze maand, als de boeren binnen blijven
om de hitte te vermijden,
Wie wil er wat met mij drinken en vrolijk zijn?
Hier ligt een handjevol bergvruchten,
Maar verzameld rond de wijnkruik zit niemand, behalve ik.
Biezen dienen mij in plaats van een mat,
Een weegbree blad gaat door voor een bord.
Nadat ik dronken geworden ben, zit ik met mijn kin in de hand,
En Sumerie* lijkt niet groter dan een propje uit een kruisboog.

* De grote berg die staat voor het centrum van het Boeddhistische Universum.

 

Zo lang als ik in het dorp woonde
Zeiden ze dat ik de beste man van de buurt was.
Maar gisteren ging ik naar de stad,
En zelfs de honden keken mij met een schuin oog aan.
Sommige mensen dreven de spot met mijn krappe broek,
Andere zeiden dat mijn jak te lang was.
Als iemand eens de ogen van de haviken uit zou steken
Dan konden wij spreeuwen dansen waar we maar wilden.

 

Ik ben niet zo slecht met rapporten en beslissingen –
Waarom kom ik dan maar niet vooruit in de overheid?
De beoordelende functionarissen zijn vastberaden om het
leven moeilijk te maken,
En alles wat ze doen is mijn fouten zien.
Alles, vermoed ik, is een kwestie van het lot,
Maar toch ga ik het examen volgend jaar weer proberen.
Een blinde jongen die op het oog van een spreeuw mikt
Zou per ongeluk een treffer kunnen plaatsen.

 

Ik ben gewend om arm te zijn, zoals dat gaat met armoede.
Vandaag stootte ik op de bodem van armoede en kou.
Niets wat ik deed leek goed te gaan,
Waar ik ook ging werd ik gekoeioneerd.
Ik loop de modderige weg en mijn tred stokt.
Ik zit met andere dorpsgenoten en mijn maag
doet pijn van de honger.
Sinds ik mijn tamme kat kwijt ben,
Komen de ratten tevoorschijn en gluren in de ketel.

 

Het nieuwe graan is nog niet gerijpt,
Maar vandaag heb ik het oude opgebruikt.
Ik ging er op uit om een beetje te lenen
En stond aarzelend bij hun hek.
De echtgenoot kwam aan deur en zei
dat ik het zijn vrouw moest vragen,
De echtgenote kwam aan de deur en zei:
“Vraag het mijn man”!
Te gierig om te helpen in moeilijke tijden –
Hoe meer de overvloed, hoe groter de dwaas.

 

Tevergeefs heb ik mij uitgesloofd om
de Drie Historiën te begrijpen,
Zonder enig nut bestudeerde ik de vijf Klassieken.
Tot ik oud ben zal ik cijfers van volkstellingen blijven verifiëren,
Net als een onbeduidende ambtenaar krabbelt
in belasting grootboeken.
Als ik de I Tjing raadpleeg zegt die dat er
moeilijkheden in het verschiet liggen;
Mijn hele leven wordt beheerst door slecht gesternte.
Als ik maar kon zijn als de boom aan de rand van de rivier
Die ieder jaar weer groen wordt.

 

Eens was ik een student met boeken en zwaarden,
Ik heb onder twee verlichte heersers geleefd.
Ik was een ambtenaar in het oosten,
maar ze gaven mij geen beloning,
Ik vocht in het westen maar behaalde geen medailles.
Ik bestudeerde de kunst om vrede te stichten en
de kunst van oorlog voeren,
De kunst van oorlog voeren en de kunst van vrede sluiten.
Nu ben ik een oude man;
Wat er nu over is van mijn leven is niet noemenswaardig.

 

Waarom ben ik altijd zo depressief?
Het leven van de mens is als de paddenstoel in de morgen.*
Wie kan het verdragen om in een paar dozijn jaar
Het aan te zien dat nieuwe en oude vrienden
allemaal zijn vertrokken.
Hieraan denkend schiet ik vol met verdriet,
Een verdriet dat ik nauwelijks kan verdragen.
Wat moet ik doen? Zeg het maar, wat moet ik doen?
Breng dit oude lichaam naar huis en verstop het in de bergen.

* De kleine paddenstoel die in de ochtend uit de grond komt en verschrompeld is voor de avond valt.

 

Ik denk aan alle plekken waar ik ben geweest,
Voortgedreven van de ene beroemde plek naar de andere.
Behagen scheppend in de bergen, beklom ik de
kilometers hoge pieken,
Het water liefhebbend, bezeilde ik zo’n duizend rivieren.
Ik hield afscheidspartijen met mijn vrienden in de Lut vallei,
Ik bracht mijn sitar en speelde
“de Samenscholing van Papegaaien”.
Wie kon toen bedenken dat ik hier, onder deze pijnboom,
zou eindigen,
Mijn knieën omklemmend in de fluisterende kou.

 

Waar witte wolken zich opstapelen tegen puntige bergpieken
En de groene vijver door rimpelingen wordt bewogen,
Hoor ik op deze plek een visser
Zo nu en dan zijn dobber gooien en zingen.
Zijn stem, en weer zijn stem, totdat ik niet meer kan luisteren:
Het maakt mijn gedachten te droevig.
“Wie zegt dat de spreeuw geen horentje heeft?
Kijk eens hoe hij een gat in het dak prikt!”*

 

* Uit het “Boek van de Oden”, Luchten van Shao-nan, van Hsing –lu:
Wie zegt dat de spreeuw geen hoorn heeft?
Hoe heeft hij dan een gat in mijn dak geprikt?
Dat wil zeggen, dat, hoewel de visser mij niet slecht gezind is, zijn gezang toch gaten prikt waar verdriet door komt.

 

Het is zo koud hier op de berg!
Niet alleen dit jaar maar altijd.
Veel bergen voor altijd gesmoord door witte sneeuw,
Donkere bossen die eindeloze mistflarden ademen.
Geen grasspriet tot in de vroege dagen van juni,
Voor de eerste herfst vallen al bladeren.
En hier, de zwerver, ondergedompeld in waanvoorstellingen;
Hij tuurt en tuurt, maar kan de hemel niet zien.

 
Ik zit alleen en maak mij voortdurend zorgen,
Bedrukt door eindeloze gedachten en gevoelens.
Wolken zweven rond het smalste gedeelte van de bergen,
Wind jammert in de monding van het dal.
Apen komen en schudden aan de takken,
Een vogel vliegt het bos in met schril gekrijs.
Seizoenen gaan voorbij en mijn haar raakt in de war;
Het jaareinde treft mij oud en verlaten aan.

 

Vorig jaar in de lente, toen de vogels riepen,
Dacht ik aan mijn verwante broeders.
Dit jaar, toen de herfstchrysanten bloeiden,
Herinnerde ik mij de tijd van mijn jeugd,
Toen groene wateren in duizend stromen murmelden
En gele wolken de hemel vulden.
Ah, moet ik alle honderd jaar van mijn leven
Die dagen in de hoofdstad in mijn herinnering terug roepen?

 

Je kunt mijn wil niet afnemen en die oprollen;
Je zou moeten weten dat ik geen mat ben!*
Uit vrijheid ben ik naar dit bos in de bergen gekomen
Om alleen op een rotsig bed te gaan liggen.
En smeek je mij om hun goud en juwelen te accepteren:**
Gaten in de muur prikken om daar onkruid in te planten,
Dat is geen hulp voor wie dan ook.***

* Een verwijzing naar het Boek van de Oden, Luchten van Pei, door Po-chou:;

“Mijn hart is niet van steen, dat maar rond gerold kan worden;

Mijn hart is geen mat die je op kan rollen.”

** Uit het verhaal over hoe Koning Hsiang van Ch’u afgezanten stuurt met giften van goud en juwelen om de filosoof Chuang Tzu over te halen zijn afzondering te verlaten om Eerste Minister van Staat te worden.

*** Één van de volgelingen van Lao Tzu bekritiseerde de wijze heersers van Yao en Shun uit de Oudheid, met de woorden dat zij niet meer deden dan gaten in de muur (van de oorspronkelijke eenvoud) prikken om daar onkruid in te planten (van conventionele moraliteit) Chuang Tzu.

 

Vannacht in een droom keerde ik terug naar mijn oude huis,
En zag mijn vrouw bezig met haar weefgetouw.
Zij hield haar spoel zwevend in de lucht, alsof zij
in gedachten verzonken was,
Alsof zij geen kracht had hem verder op te tillen.
Ik riep. Zij draaide haar hoofd en keek,
Maar haar ogen waren wezenloos – ze kende mij niet.
Zo veel jaar zijn wij uit elkaar;
Het haar bij haar slapen heeft zijn kleur verloren.

 

Vroeger, toen ik zo arm was,
telde ik nacht na nacht de rijkdom van andere mensen.
Pas heb ik er over nagedacht,
En besloten een zaak van mijzelf te openen.
Ik groef een gat en vond een verborgen schat.
Een blauwogige buitenlander kwam in het geheim,*
En wilde hem kopen en meenemen,
Maar ik antwoordde hem alleen:
“Deze juwelen vallen buiten iedere prijs.”

 

* Dat wil zeggen, een koopman uit Centraal Azië. “In het geheim”- om de aandacht van de regeringsfunctionarissen te vermijden.

 

Ik wilde op weg gaan maar het oostelijke klif;
Hoeveel jaar neem ik mij deze tocht nu voor?
Gisteren werkte ik mij omhoog tot bij de klimplanten,
Maar de wind en de mist dwongen mij om
halverwege te stoppen.
Het pad was smal en mijn kleren bleven plakken,
Het mos zo sponsachtig dat ik mijn voeten niet kon bewegen.
Dus stopte ik onder deze rode kaneelboom.
Ik denk dat ik mijn hoofd op een wolk leg en ga slapen.

 

Mijn huis staat aan de voet van een groene klif,
Mijn tuin, een ongemaaid rommeltje van onkruid waar ik mij
niet om bekommer.
Nieuwe klimplanten bungelen in gedraaide strengen
Over oude rotsen die steil en hoog oprijzen.
Apen gaan er van door met bergvruchten,
De witte reiger propt zijn bek vol met vis uit de vijver,
Terwijl ik een paar boeken over Onsterfelijken*
Onder de boom lees – mompel, mompel.

* De Taoïstische filosofen, zo genoemd omdat het Taoïsme aanspraak maakt op de leer over hoe onsterfelijk te worden.

 

Heb ik een lichaam of heb ik er geen?
Ben ik wie ik ben of ben ik niet?
Deze vragen overpeinzend
Verblijf ik bij het klif terwijl de jaren voorbij gaan,
Tot het groene gras tussen mijn voeten groeit.
En het rode zand op mijn hoofd neer daalt.
En de mensen van de wereld, denkend dat ik dood ben,
Komen hier offergaven van wijn en fruit bij
mijn lichaam leggen.

 

In de late zon daalde ik de westelijke heuvel af;
Licht stroomde over gras en bomen.
Tot ik bij een donkere en droefgeestige plek kwam
Waar pijnbomen en kruipplanten dicht op elkaar groeiden.
Daar slopen veel tijgers;
Toen ze mij zagen gingen hun haren overeind staan.
Met niet meer dan een mes in mijn hand:
Werd ik niet door angst bevangen?

 

Han-shan over Mensen

 

Een gordijn van parels hangt voor de hal van jade,
En binnen zit een prachtige dame,
Schoner dan goden en Onsterfelijken;
Haar gezicht is als een bloesem van perzik of pruim.
Lentemist zal het Oostelijk Huis bedekken,
Herfstwinden waaien vanuit de Westelijke Verblijfplaats
En na verloop van dertig jaar,
Zal ze er uit zien als uitgeperst suikerriet.

 

Zo jong als hij was, de Heer van Tung*,
Ging in en uit het Keizerlijk paleis.
Zijn overhemd was vaalgeel als dons van een jonge gans,
Zijn gezicht en voorkomen waren fijn besnaard
als een schilderij.
Altijd reed hij op een witvoetig paard,
Rood zand opwervelend, opwervelend.
En de mensen die in rijen langs de weg stonden te kijken
Zouden elkaar vragen: “Wiens zoon is dat?”

* Tung hsien was een favoriet van de Keizer Ai (regeerde van 6 – 1B.C) van de Han dynastie en slaagde er in, door de Keizerlijke bescherming, om een fortuin te vergaren en een hoge positie in de regering te verwerven. Er wordt gezegd dat de Keizer toen hij eens vroeg in de morgen wakker werd, om zitting te houden in zijn hof, hij zijn mouwen afsneed om de jonge man die naast hem sliep niet wakker te maken. Toen de Keizer kort daarna dood ging, dwong de Eerste Minister Wang Mang, Tung Hsien om zelfmoord te plegen.

Als je wijn hebt, nodig mij dan uit om te drinken;
Wanneer ik vlees heb, kom en vier dat dan met mij.
Allemaal op weg naar de Gele Bronnen, vroeger of later,
We moet werken als we nog jong en sterk zijn.
Met juwelen versierde riemen schitteren maar heel even,
Gouden haarspelden zijn niet lang nodig.
Heb je gehoord van Vader Chang en de oude vrouw Cheng?
Zij verdwenen en sindsdien heeft niemand iets van ze gehoord.

 

 

 

 

 

 

Sommige mensen pochen altijd op hun gedrag:

“Confucius en de Hertog van Chou konden mijn talenten niet evenaren!”

Kijk toch naar hun koppen, hardnekkig en meedogenloos,

Zie hun lichamen, lomp en stijf!

Trek met een touw aan hen en ze weigeren te bewegen,

Prik hen met een priem en ze veranderen niet van mening.

Daar staan ze dan, zoals de ooievaar van Mijnheer Yang,*

Geboren, vrees ik, om zo dom als een kluit aarde te zijn

 

 

*Een man, genaamd Yang shu-tzu, had een ooievaar die mooi kon dansen. Toen hij tegen over een vriend pochte op de talenten van de vogel, vroeg deze om een demonstratie. Mr Yang liet zijn ooievaar enthousiast zien, maar de vogel stond alleen maar “zo dom als een kluit aarde”.

 

 

 

 

De vrouw van de Heer van Tson van Ti-yen,

De moeder van de toegewijde leerling Tu van Han-tan,

Beiden al aardig op leeftijd,

Beide vrouwen met een vriendelijk voorkomen,

Gingen gisteren toevallig naar een feestje.

Maar, omdat hun kleding nogal armoedig was, werden ze

naar de achterdeur verwezen.

Alleen maar omdat hun kraagjes versleten waren,

Kregen ze slechts restjes van de taart te eten.

 

 

 

 

 

 

Hier is een man goed van lijf en leden;

Hij heeft meesterschap verworven gemaakt

van de Zes Kunsten.*

Maar als hij probeert zuidwaarts te gaan wordt hij

noordwaarts opgejaagd,

Als hij westwaarts vertrekt wordt hij oostwaarts opgejaagd.

Als eendenkroos, altijd maar ronddrijvend,

Opgewaaid, zonder rust, als tuimelend

   in de war geraakt onkruid.

Je vraag je af: wat is dat voor een soort mens?

Zijn achternaam is Arm en zijn voornaam is Narigheid.

 

 

* De zes kunsten van beschaving voor een Chinese heer zijn: etiquette, muziek, boogschieten, wagenmennen, kalligrafie en wiskunde.

 

 

Ten noorden van de stad leefde de oude man Chung;

Zijn provisiekamer was gevuld met vlees en wijn.

Op de dag dat zijn arme vrouw dood ging

Overstroomde de zaal met gasten voor de begrafenis.

Toen de oud man Chung zelf overleed

Kwam er niemand om dat te betreuren.

Zij die zijn gebraden vlees aten en zijn wijn

naar binnen sloegen

Hadden harten die kouder waren

dan je ooit had kunnen denken.

 

 

 

 

 

Als ik een kerel anderen zie misbruiken,

Denk ik aan een man met een emmer water.

Zo snel als hij kan rent hij naar huis,

Maar als hij daar aankomt, wat zit er dan nog in de emmer?

Als ik een mens zie die door een ander misbruikt wordt,

Denk ik aan de prei die in de tuin groeit.

Dag na dag trekken mensen er bladeren af,

Maar het hart waarmee ze geboren is blijft hetzelfde.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Elegant is de houding van een fraaie jongeman,

Hij is zeer goed op de hoogte van de Klassieken en de historie.

Iedereen spreekt hem aan met “Professor”,

Iedereen verwijst naar hem als “de toegewijde leerling”.

Toch is hij niet bij machte een overheidsbaan te krijgen

En weet hij niet hoe hij een schoffel moet hanteren.

De hele winter rilt hij in zijn versleten overhemd van hennep:

“Mijn boeken hebben mij in een behoorlijk

netelige situatie gebracht!”

 

 

 

 

 

 

In het huis ten oosten van mij woont een oude vrouw;

Drie of vier jaar geleden werd ze rijk.

Vroeger was zij armer dan ik,

Nu lacht zij mij uit omdat ik geen cent heb.

Ze lacht me uit omdat ik achteraan loop,

Ik lach haar uit omdat zij vooraan loopt.

We lachen onophoudelijk om elkaar,

Zij vanuit het oosten en ik vanuit het westen!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wijze mensen kunnen wellicht vrij zijn van begeerte,

Maar niet de dwaas, die er dol op is om

naar goud te delven.

Zijn gebied maakt inbreuk op het land van zijn buren,

En de bamboe-bosjes? “Dat is allemaal van mij!”

Kijk hem tandenknarsend met zijn ellebogen werken

Op zoek naar geld zijn paarden en slaven voortjagend.

Kijk daar, buiten de poorten van de stad,

Hoeveel grafheuvels liggen daar niet onder de pijnbomen.

 

 

 

 

 

 

Een stel meisjes die in de schemering spelen,

En de door de wind voort geblazen geur vult de weg!

Gouden vlinders zijn op bloesjes van hennep gestikt,

Hun haarknotjes worden door mandarijn eendjes

van jade vast geklemd.

Hun verzorgsters dragen mantels van karmozijnrode pure zijde,

Paars brokaat voor de eunuchen die op hen letten.

Zullen zij iemand met wit haar en een rusteloos hart,

die de weg kwijt is, een blik waardig gunnen?

 

 

 

 

 

 

 

 

De rijke man vierde feest in zijn zaal met hoog plafond,

Waar alles werd verlicht door helder brandende fakkels.

Toen sloop een man die te arm was om een lamp te kopen

Aan de zijkant naar binnen om

mee te genieten van de gloed.

Wie zou eraan denken om hem weg te jagen,

Terug naar zijn plaats in het donker?

“Zou één mens meer aan je licht afbreuk kunnen doen?”

Vreemd om mij een restje van de lichtstralen te misgunnen.

 

 

 

 

 

 

 

Boeken lezen zal je niet redden van de dood,

Boeken lezen zal je niet redden van de armoede.

Waarom willen mensen dan geletterd zijn?

Om zo iedereen voorbij te streven!

Een jongeman die geen karakters kan lezen

Zal zich nooit kunnen redden in de wereld van vandaag.

Probeer je medicijn met knoflooksaus te vermengen

En je zult snel het bittere en het toehappen vergeten.*

 

 

* Dat wil zeggen dat de saus van leren je zal helpen om het bittere van en het doorbijten in het leven te vergeten. “Medicijn” – letterlijk huang-lien or Coptis japonica, de bittere wortel die in vele Chinese medicijnen gebruikt wordt.

 

 

 

Hier zijn vier of vijf jonge dwazen,

Niets wat zij doen is eerlijk of waar!

Zij hebben net tien boeken vluchtig doorgenomen,

Toch zijn hun penselen altijd gereed voor scherpe streken.

Zij nemen “Regels van Confuciaans Gedrag”* ter hand

En verklaren het niet beter dan een voorschrift voor dieven.

Een soort pest als boekenwurmen

Die zich door de band van andermans boeken heen kauwen.

 

* Een deel van het Boek over Riten beschrijft het passend gedrag van een Confuciaanse heer. In Han-shan’s tijd waren de Boeddhisten, de Taoïsten en de Confucianisten voortdurend bezig met verbitterde aanvallen op elkaar. Het gedicht is een satire over onwetende Boeddhistische priesters die hun tijd besteedden aan het belachelijk maken van andere overtuigingen.

 

 

 

Wat een mooie winkel is dit!

En de wijn die ze verkopen is de beste uit de buurt.

Opvallende vaandels wapperen in de lucht;*

Een kwart liter of een hele liter, de maat is altijd eerlijk.

Wat is dat? Je klaagt dat de verkopen slecht zijn?

Maar dan moet de plek wel vol met valse honden zijn!

Zo gauw als er een kerel binnen komt om wat te drinken

Happen ze naar zijn hielen en jagen hem weg.**

 

 

* “Wijnbanieren” die de winkel aanprijzen.

** De parabel van de honden in de wijnwinkel is zeer oud in de Chinese literatuur en verwees oorspronkelijk naar slechte ministers die goede mensen uit de regering verdreven. Hier is de aanval waarschijnlijk gericht op de Boeddhistische geestelijken.

 

 

Met een geest zo verheven als een bergtop,

En een zelfingenomen voorkomen(“Ik buig voor anderen”),

kondigt hij aan dat hij les gaat geven over

de Vedische geschriften,

nadat hij meester is geworden in

de geschriften van de Drie Religies.*

In zijn hart is geen spoor van schaamte,

Hoewel hij de geboden breekt en

de heilige wetten veronachtzaamt.

“Mijn preken zijn voor mensen met een superieur verstand,

Er zijn maar weinig geestelijken die

zich met mij kunnen vergelijken!”

Dwazen overstelpen hem met hun lof,

Terwijl wijze mensen in hun handen klappen van plezier.

Wat een bedrog! Deze fantoombloem van lucht!

Hoe kan hij ontsnappen aan leven en dood?

Beter om helemaal niets te begrijpen,

Stil te zitten en de ziekten van de menselijke geest

tot rust te brengen.

 

 

* Boeddhisme, taoïsme en confucianisme.

 

 

 

Boeddhistische priesters houden zich niet aan de geboden,

Taoïsten nemen hun pil van Onsterfelijkheid niet in.

Vele wijze mensen hebben sinds vroeger tijd geleefd,

En daar liggen zij, onder de groene heuvel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mensen over Han-shan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zij lachen mij uit omdat ik een boerenpummel ben:

“Heb je ooit zo’n domme uitdrukking gezien?

Zijn pet kan niet eens rechtop staan;

Draagt hij zijn riemen altijd zo strak aangetrokken?”

Het is niet dat ik niet op de hoogte ben van de mode,

Maar als je blut bent dan kun je niet meedoen.

Op een dag, als ik veel geld krijg,

Zal ik een hoed aanschaffen zo hoog als die pagode daar.

 

 

 

 

 

 

Een zekere geleerde, Mijnheer Wang genaamd,

Lachte om mijn gedichten omdat ze zo onhandig zijn.

“Weet je dan niet dat je hier niet twee klemtonen

kunt plaatsen?

En deze zin heeft teveel maten;*

Je begrijpt blijkbaar niets van metrum,

Maar gooit ieder woord erin dat in je opkomt!”

Ik lach ook, Mijnheer Wang, als jij een gedicht maakt,

Dan is dat als een blinde die de zon

probeert te bezingen.

 

 

*Letterlijk beschuldigt Mr Wang Han-shan van het begaan van twee fouten in het metrum, in technische termen van de Chinese dichtkunst, aangegeven als “een wespentaille” en “ooievaarsbenen”.

 

 

 

 

Als de mensen de man van De Koude Bergen zien

Dan zeggen ze allemaal: “Dat is een zonderling!

Eigenlijk is het geen gezicht dat je nog eens wilt zien,

Zijn lijf gehuld in niets dan vodden…

De dingen die wij zeggen begrijpt hij niet,

De dingen die hij zegt zouden we niet durven uitspreken!”

Een bericht voor hen die voorbij komen:

Probeer eens een keer naar de Koude Bergen te komen!

 

 

 

 

 

 

Iemand bekritiseerde de Meester van de Koude Bergen:

“Jouw gedichten slaan nergens op.”

“Maar wat ik over de Ouden gelezen heb”, zei ik,

“Is dat zij waren niet beschaamd waren om arm

en bescheiden te zijn.”

Hij lachte om mijn woorden en antwoordde:

“Hoe kun je zulke onzin uitkramen?”

Loop dan maar door, mijn vriend, zoals je vandaag bent,

Laat geld je hele leven voor jou zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Koude Bergen

 

 

 

Dertig jaar geleden werd ik op deze wereld geboren.

Duizend, tienduizend kilometer heb ik rond gezworven,

Langs rivieren waar het groene gras welig groeit,

Voorbij de grens waar het rode zand opvliegt.

Ik brouwde tevergeefs drankjes op zoek

naar eeuwigdurend leven,

Ik las boeken, ik zong liederen over de historie.

En vandaag ben ik thuis gekomen in de Koude Bergen

Om mijn hoofd te ruste te leggen bij de stroom en

mijn oren te wassen.*

 

 

 

 

* Toen Sun Ch’un, een hoge ambtenaar, op het punt stond zich terug te trekken in de wildernis, was het zijn bedoeling om tegen een vriend te zeggen dat hij “zijn hoofd te ruste zou leggen op een steen en zijn mond zou spoelen met water uit de stroom.” Maar hij vergiste zich en zei: “mijn hoofd te ruste ga leggen in de stroom en mijn mond ga spoelen met stenen.” Gevraagd om deze vreemde uitspraak te verklaren zei hij: “door mijn hoofd in de stroom te ruste te leggen kan ik mijn oren wassen en door mijn mond met stenen te spoelen kan ik mijn tanden poetsen!”

Het wassen van de oren verwijst naar een veel ouder verhaal over de wijze kluizenaar HSü Yu, die, toen hem door de Keizer gevraagd werd de troon over te nemen, zich weg haastte om zijn oren schoon te spoelen van een zo verachtelijke voorstel.

 

 

 

 

 

 

 

 

De vogels en hun gesnater overstelpen me met gevoelens;

Op die momenten ga ik in mijn hut van stro liggen.

Kersen schitteren als karmijnrood vuur,

Wilgentakken zwiepen in ranke bogen achter elkaar aan.

De ochtendzon floept uit de kaken van blauwe bergpieken;

Heldere wolken worden gewassen in de groene vijver.

Wie had ooit gedacht dat ik de stoffelijke wereld zou verlaten

En mij zou voegen op de een zuidhelling van

de Koude Bergen?

 

 

 

 

 

Ik beklim de weg naar de Koude Bergen,

De weg naar de Koude Bergen die nooit eindigt.

De dalen zijn begroeid met heide en bezaaid met stenen,

De stromen zijn breed met oevers van dik gras.

Het mos is glad, hoewel er geen regen is gevallen;

Pijnbomen zuchten, maar er is geen wind.

Wie kan de valstrik van de wereld openbreken

En hier met mij tussen de witte wolken zitten?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verhalen in verhalen over prachtige heuvels en stromen,

Hun blauwgroene waas ingesloten door de wolken!

Mistflarden strijken vochtig langs mijn dunne pet,

Dauw maakt mijn kleren van gevlochten stro nat.

Aan mijn voeten draag ik pelgrims sandalen,

Mijn handen houden een oude rotan stok vast.

Hoewel ik mijn neus ophaal voor de stoffelijke wereld:

Wat betekent dit land van dromen voor mij?

 

 

 

 

 

 

Ik vroeg om raad* en koos zo

afgelegen plaatsen uit om te verblijven –

T’ien’ai: wat valt er verder te zeggen?

Apen krijsen waar mistflarden koud zijn,

Mijn hek van graszoden vermengt zich met

de kleur van de rotsen.

Ik pluk bladeren om een hut tussen

de pijnbomen te bedekken,

Schep de vijver uit en leg een gootje aan vanaf de bron.

Ik ben nu wel gewend geraakt om

het zonder de wereld te doen.

Varens plukkend breng ik de jaren die mij resten door.**

 

* Aan de I Tjing

** Uit het verhaal van de gebroeders Po-i en Shu-ch’i die, boos over het gedrag van de stichter van de Chou dynastie, zich terug trokken op de Berg Shou-yang, waar zij leefden van varens tot zij van honger stierven.

 

 

De Koude Bergen, vol van spookachtige verschijnselen;

Mensen die ze trachten te beklimmen worden altijd bang.

Als de maan schijnt, het water glinstert en fonkelt,

Als de wind waait, het gras ritselt en zucht.

Sneeuwvlokken maken bloesem op de kale pruimenboom.

Wolken in plaats van bladeren voor de naakte bomen.

Een beetje regen, de hele berg glanst zacht;

Slechts met goed weer kun je de klim maken.

 

 

 

 

 

 

De plek waar ik mijn dagen doorbreng

Is verder weg dan ik kan vertellen.

Onder de wind bewegen de wilde klimplanten,

Geen mist, toch zijn de bamboes altijd donker.

Voor wie snikken de stromen in het dal?

Waarom hopen de mistflarden zich altijd op?

Op het middaguur, zittend in mijn hut,

Besef ik voor het eerst dat de zon is opgekomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prachtig, deze weg naar de Koude Bergen;

Toch is er geen teken van paard en wagen,

In kronkelende dalen, te bochtig om doorheen te trekken,

En rotspunten, wie weet hoe hoog opgestapeld.

Zo’n duizend verschillend grassoorten huilen met dauw,

En de pijnbomen neuriën samen in de wind.

Nu is het zo dat je, afdwalend van het pad,

Je schaduw vraagt: “Welke weg vanaf hier?”

 

 

 

 

 

 

Wat mij betreft, schep ik genoegen in de Weg van alledag,*

Tussen door mistflarden omhulde wijnranken en tsachtige grotten.

Hier in de wildernis ben ik volkomen vrij,

Met mijn metgezellen, de witten wolken, eeuwig niets doend.

Er zijn paden, maar niet om naar de wereld te gaan.

Omdat ik zonder menselijke geest ben:**

wat kan nog mijn gedachten opwekken?

Ik zit op een bed van steen, alleen in de avond,

Terwijl de maan over de Koude Bergen opkomt.

 

 

* Wellicht een verwijzing naar de woorden die toegekend worden aan de Zen Meester Ma-tsu Tao-i (707 – 786): “De geest van alledag – dat is de Weg.”

** Wu-hsin, een Boeddhistische term die een staat aanduidt waarin de normale processen van het onderscheidend denken tot stilstand zijn gebracht.

 

 

Als je een plaats zoekt om uit te rusten,

Zijn de Koude Bergen geschikt voor een lang verblijf.

Het briesje dat door de pijnbomen waait

Klinkt beter hoe dichterbij je komt.

En onder de boom een man met wit haar,

Die Taoïstische teksten mompelt.

Hij is nu tien jaar niet naar huis geweest,

Hij is zelfs de weg vergeten waarlangs hij gekomen is.

 

 

 

 

 

 

Koude kliffen, mooier naarmate je er dieper ingaat –

Toch bereist niemand deze weg.

Witte wolken hangen ledig rond hoge rotspunten,

Op de groene pieken weeklaagt een eenzame aap.

Welke metgezel heb ik nog meer nodig?

Ik word oud met te doen wat ik wens.

Hoewel aanzien en vorm met de jaren veranderen,

Houd ik mij vast aan de parel van de geest.*

 

 

 

* In de Veertien Hymnen van Liang Dynastie priester Pao-chih (418 – 514) staan de zinnen:

“Waarom zou je een schat in het buitenland zoeken?

Binnen in jezelf heb je een schitterende parel!”

De parel is de Boeddha natuur in de menselijke geest van ieder mens.

 

 

Mensen vragen de weg naar de Koude Bergen.

De Koude Bergen? Er is geen weg die daar naar toe gaat.

Zelfs in de zomer smelt het ijs niet.

Hoewel de zon opkomt, is de mist verblindend.

Hoe kun je hopen daar te komen door mij na te apen?

Jouw hart en het mijne zijn niet gelijk.

Als jouw hart het zelfde was al het mijne,

Dan kon je naar ieder centrum reizen!

 

 

 

 

 

 

In de Koude Bergen leeft een naakt insect;

Het lichaam is wit en het hoofd is zwart.

Onder de armen draagt het een paar boeken,

Het één “De Weg” en het ander “De Kracht”.*

Thuis maakt het zich niet druk om ketel of kachel,

Op reis neemt het geen kleren mee,

Maar het draagt altijd het zwaard van wijsheid bij zich

Om de dieven van zinloze begeerte neer te slaan.

 

 

 

* De Tao Te Ching of :”de Klassieker van de Weg en zijn Kracht” door de Taoïstische filosoof Lao Tzu. In de tijd van Han-shan was dit boek verdeeld in twee delen, zoals vermeldt in het gedicht.

 

 

 

 

Ik kwam eens om te rusten in de Koude Bergen

En bleef hier dertig jaar hangen.

Gisteren ging ik weg om verwanten en vrienden te zien:

Meer dan de helft was al naar de Gele Bronnen gegaan.

Beetje bij beetje sterft het leven als een druipende kaars,

Gaat voorbij als een rivier die nooit rust.

Vanmorgen sta ik oog in oog met mijn eenzame schaduw,

En voor ik het weet stromen de tranen over mijn wangen.

 

 

 

 

 

 

Het heldere water schittert als kristal,

Je kunt er makkelijk doorheen kijken,

helemaal tot op de bodem.

Mijn geest is vrij van iedere gedachte;

Niets in de talloze gebieden kan ze in beweging zetten.

Omdat ze zonder aanleiding niet opgewekt kan worden,

Zal ik voor altijd en altijd onveranderlijk blijven.

Als je deze wijze van kennen te weten bent gekomen,

Zul je beseffen dat er geen binnen en buiten is.*

 

 

* Dat betekent: geen dualiteit.

 

 

 

 

 

 

In mijn huis is een holte*,

En in de holte is helemaal niets.

Zuiver en wonderlijk leeg,

Luisterrijk, met licht als dat van de zon.

Een maaltijd van groenten is genoeg voor dit oude lichaam,

Een gescheurde jas zal deze fantoomvorm bedekken.

Laat een duizendtal heiligen voor mij verschijnen-

Ik bezit de Boeddha van de Hemelse Waarheid!

 

* De holte van het hart (of de geest).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere vertalingen

Voor de lezer die zich verder in het werk van Han-shan wenst te verdiepen zijn de volgende Engelse vertalingen een mogelijke ingang. Alle selecties zijn op het Web te vinden. De vertalingen van het volledige werk van Han-shan, 311 gedichten, zijn alleen in boekvorm beschikbaar.

 

Arthur Tobias, 22 gedichten

The View from Cold MountainPoems of Han-Shan and Shih-Te, Translated. by Arthur Tobias, James Sanford and J.P. Seaton; edited by Dennis Maloney, Buffalo, N.Y.: White Pine Press, 1982, [38] p.

 

Arthur Waley, 27 gedichten

27 Poems by Han-shan. Translated by Arthur Waley
In Encounter , September 1954, pp. 3-8

 

A.S. Blyth, 15 gedichten:

Han Shan  Translated by R. H. Blyth
Zen and Zen Classics , Volume 2: History of Zen. The Hokuseido Press, 1964. pp. 159-171.

 

Gary Snyder 24 gedichten

Han-shan, Cold Mountain Poems. Translated by Gary Snyder
COLD MOUNTAIN POEMS: Twenty-Four Poems by Han-Shan. First Edition. Portland, Oregon: Press-22, 1970, [30]

 

A.S.Kline 27 gedichtenHan-shan – Words from Cold Mountain” Translated by A. S. Kline (2006)
http://www.poetryintranslation.com/klineashanshan.htm

 

Het volledige werk van Han-shan, alle 311 gedichten, zijn te vinden in:

Hanshan, The collected songs of Cold Mountain, Translated by Red Pine (Bill Porter). Introduction by John Blofeld. Port Townsend, Washington, Copper Canyon Press, 1983; Revised and expanded edition, 2000. 272 p.

 

Hanshan, The poetry of Han-shan, A Complete, Annotated Translation of Cold Mountain. Translation and commentary by Robert B. Henricks. Suny Series in Buddhist Studies. New York, State University of New York, 1990. 486 p.